Waarheen pelgrims 1 Waarheen pelgrins, waarheen gaat gij, ’t oog omhoog en hand in hand, Wij gaan op des Konings roepstem, naar ons huis en Vaderland. Over bergen en door dalen, gaan wij naar die blijde zalen, Gaan wij naar die blijde zalen van Gods huis. In’t Vaderland, Gaan wij naar die blijde zalen van Gods huis in ’t Vaderland. 2 Storm en duisternis bedreigt u, Zijt daar tegen gij bestand? Waarom zou ons harte vrezen, wand’lend aan des Heren hand. Jezus zelf zal voor ons strijden,en door storm en nacht ons leiden, En door storm en nacht ons leiden, naar Gods huis in’t Vaderland, En door storm en nacht ons leiden, naar Gods huis in’t Vaderland.