t Hijgend hert der jacht ontkomen 1 ;t Hijgend hert der jacht ontkomen, schreeuwt niet sterker naar ’t genot. Van de frisse waterstromen, dan mijn ziel verlangt naar God. Ja, mijn ziel dorst naar de Heer,God des levens ach wanneer. Zal ik naad’ren voor Uw ogen,in Uw huis Uw naam verhogen. 2 O mijn ziel wat buigt g’u neder, waartoe zijt g’in mij ontrust. Voed het oud vertrouwen weder,zoek in’s hoogsten lof uw lust. Want Gods goedheid zal uw druk, eens verwiss’len in geluk. Hoop op God sla’t oog naar boven,want ik zal zijn naam nog loven. 3. Maar de Heer zal uitkomst geven, Hij die’s daags zijn gunst gebiedt. ‘k Zal in dit vertrouwen leven, en dat melden in mijn lied. ‘k Zal zijn lof zelfs in de nacht, zing- en, daar ik Hem verwacht. En mijn hart wat mij mag treffen,tot de God mijn levens hef-fen.